We gaan een voorstelling
maken.
We zitten die avond gewoon op kantoor.
In zo oud verlaten pand
waar ze nog geen
bestemming voor hebben.
Daar kun je dan een kantoortje huren,
hebben wij gedaan.
Dus we zitten daar,
biertje erbij, shaggie,
muziekje aan.
Aan het werk,
zou je kunnen zeggen.
Eigenlijk kijken we gewoon een beetje uit het
raam.
Nou zitten we vrij hoog
in het oude ziekenhuis.
Dus we kunnen veel van de stad
overzien.
De dam, de grachten,
de havens, de stad.
Kortom,
een bron van inspiratie
voor iemand die
graag teksten wil spuien...
...als datgene wat hij ziet
hem tenminste interesseert...
...en als degene die moet luisteren
dan ook een beetje geïnteresseerd is...
...in wat hij anderen te vertellen heeft.
En ik moet zeggen,
dat is bij ons absoluut niet het geval.
Jij nog, en waar is de aansteker?
Daar is de gehele conversatie
wel zo 'n beetje mee
samengevat.
Ineens zeg ik,
laten we gaan zwerven.
Dat is goed, dat is goed,
zegt hij.
Maar waarheen?
En we zitten weer muurvast.
Ik was hem tegengekomen op een avond
aan het einde van de zomer,
in een café waar ik af en toe op de
piano mag spelen.
En hij was binnengekomen met een pocketboekje
en een gitaar.
En dat valt je meteen op, zo 'n pocket.
We raakten in gesprek
en bleken een hoop gemeen te hebben.
Allebei midden twintig,
allebei geen cent te makken,
allebei wel leuke vriendinnen.
Thuis.
We spraken die avond tot diep in de nacht
over liefde, vriendschap en de dood.
Gewoon twee jongens
die zich door het leven
bluffen
omdat ze geen idee hebben.
We gingen een voorstelling maken.